Boek

Manieren van leven : gedichten 1975-2011

Manieren van leven : gedichten 1975-2011
×
Manieren van leven : gedichten 1975-2011 Manieren van leven : gedichten 1975-2011
Boek

Manieren van leven : gedichten 1975-2011

Nederlands
2012
Volwassenen
Bundeling van de dagboeken van de Vlaamse dichter (1947- ) over de periode 1979-2007.

De Morgen (3)

Poëzie als een lichaam
Paul Demets - 14 april 2012

Maximaal om de drie jaar heeft Nolens sinds 1975 een bundel gepubliceerd. Het is een reeks publicaties van een zeldzaam constant, hoog niveau, die wijst op het temperament van een dichter die nooit opgeeft en het nodig heeft om te publiceren. Elke dag leven in functie van de poëzie: het is minder evident dan het lijkt. In zijn Dagboek van een dichter 1979-2007 schrijft Nolens: "Ikzelf weet pertinent dat althans voor dichters een writer's block de regel is, en het schrijven zelf de uitzondering." Maar hij kan niet anders. Voor Nolens zijn leven en poëzie schrijven hetzelfde. Hij noteert daarover: "Ik houd geen dagboek, ik schrijf een mens. Ik componeer geen poëzie, ik word een gedicht."

Nolens schrijft om zichzelf en de werkelijkheid rondom hem te leren begrijpen. Dat is een levenslange opdracht, vooral omdat de verhouding tussen de identiteit van de dichter en het gedicht zelf voortdurend problematisch is. Want het gaat om de vraag welke van de twee het meest authentiek is. Taal is namelijk nooit de eigendom van één individu. In zijn dagboeken noteert hij: "Men schrijft zijn hoogstpersoonlijke dagboek in de taal van vreemden. En zelfs mijn meest intieme, unieke gedichten blijken niet meer te zijn dan een vertaling." Nolens' gedichten zijn eerlijk en kwetsbaar. Maar dat op een heel andere manier dan via de romantische blik op zijn dichterschap: de man die zich terugtrok uit de maatschappij en geen vaste baan had, om zich volledig aan zijn schrijverschap te wijden. Wat dan een oeuvre opleverde waarin hij zijn existentiële pijn blootlegt voor de lezer. Nee, het gaat om iets anders. Iets dat veel fundamenteler is en dat zijn dichterschap zo ongelooflijk belangrijk maakt binnen de poëzie van de Lage Landen op het einde van de vorige eeuw en bij het begin van deze nieuwe: de zoektocht naar de eerlijkheid van taal in een gedicht. Het gedicht, dat doorheen zijn oeuvre voortdurend gemodificeerd wordt, komt als een lichaam voor je staan en rukt zijn hemd open. Daarover schrijft Nolens: "Het gedicht is als corpus in al zijn gecomponeerde complexiteit vollediger dan de contingente mens van vlees en bloed. In die volledigheid schuilt de eerlijkheid."

Nolens' tekstlichaam openbaarde zich voor het eerst aan mij in 1986, met de afdeling 'Feest' in De gedroomde figuur, zijn eerste bundel bij zijn huidige uitgever Querido: "Wat ik bedacht en deed in mijn eenzame keuken / Wandelt nu door onze darmen en verandert zich / In ons denken en doen. Ik heb me uitgedeeld. / Het is mijn vlees en bloed dat in de borden dampt."

Het fremdkörper en voor mij ook het hoogtepunt in zijn oeuvre is Bres (2007). Die bundel viel op omdat het dichterlijke ik in enkele reeksen voor het eerst in Nolens' oeuvre de vorm kreeg van een collectief wij, als spreekbuis van een generatie die de revolte van het eind van de jaren zestig al dan niet actief meemaakte. Werkelijkheid en idealen komen in die bundel tegenover elkaar te staan. Indrukwekkend hoe Nolens hier zijn nooit aflatende zoektocht naar een literaire identiteit van een opening voorziet en die toetst aan de strijd om ontvoogding en de vrijheid van het individu, niet alleen eigen aan zijn generatie, maar aan alle jongeren. Nolens sloeg met deze bundel ook voor een deel een gat in het ritme en de zegging, die zo typisch zijn voor zijn werk. Dat moet je durven.

Verbinding

Na Bres volgden nog twee bundels die aantonen dat Nolens zijn oude preoccupaties niet van zich kan afschudden. "Ik moet gezegd", lezen we in Woestijnkunde (2008). De existentiële noodzaak van het schrijven is duidelijk niet verdwenen. En de ander is nodig om zichzelf in stand te kunnen houden: "'k keek naar jou, ik kijk altijd naar jou / Om straks niet weg te kijken van mezelf." En uit Zeg aan de kinderen dat wij niet deugen (2011) blijkt dat hij een dagtaak heeft aan omgaan met zichzelf en de werkelijkheid om hem heen: "Je moet je behelpen met Nolens", staat er. Poëzie is daarbij geen troostend voedsel, maar eerder iets dat hem uithongert: "Maak van je dorst // Een tepel, geef / De borst aan afwezigen straks, / Gemis is een min. / Je tekort is de stevigste kost // Voor andere wezen." Ook blijkt uit deze bundel dat poëzie voor Nolens poëzie het enige middel is om verbinding te maken met de ander, in de gedaante van de geliefde vooral, maar ook met zijn ouders, zijn familie, zijn vrienden, met levenden en doden en met de moeilijkste vriend van allemaal: het schrijverschap.

Het is de vierde keer dat Nolens zijn gedichten verzamelt, na de twee edities van Hart tegen hart in 1991 en 1998 en Laat alle deuren op een kier (2004). En net als in die edities zijn ook in deze verzameling de eerste twee bundels, Orpheushanden (1969) en De muzeale minnaar (1973), integraal weggelaten. "Wie dat begin wil zien, waarin men woorden heeft en nog geen taal, kan elders terecht", schrijft Nolens in de verantwoording. Dat moet dan jammer genoeg in een of ander antiquariaat gebeuren. Nauwelijks iemand die dus de kiemen van Nolens' dichterschap kent. Het weglaten van deze twee bundels en het feit dat hij uit de eerste vier bundels die hij wel selecteerde, gedichten verwijderde, tonen aan dat Nolens ons een zo overtuigend mogelijk beeld van zichzelf als dichter wil aanbieden. Alles moet zo goed mogelijk in elkaar passen in dit imposante bouwwerk dat hij ons voorlegt. Is dat oeuvre een Nobelprijs waard, een pertinente vraag nu we weten dat de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde hem voorgedragen heeft? Zeker. Maar het is een radicaal bouwwerk, veel genadelozer dan dat van laureaten als Szymborska of Tranströmer. Nolens' werk, zijn hele zijn: het is te nemen of te laten. Hopelijk verdraagt het Zweedse comité dat. Want ook bij ons irriteert dat sommigen. Gerrit Komrij, bijvoorbeeld, die zich in Trou moet blycken (2001) vrolijk maakte over Nolens' voordracht: "Nolens werd bloter en bloter. Ineens stond daar op het toneel een lange lul te bedelen om aandacht."

Natuurlijk is dit kloeke boek geen sluitsteen. Nolens zal nog jaren verder schrijven. Op zijn vijfenzestigste verjaardag is hij nog lang niet met pensioen. Het kan niet anders, want ophouden met schrijven betekent voor hem ophouden met leven. En wij, lezers, rekenen op zijn lange adem.

Op woensdag 25 april om 20 uur bieden Behoud de Begeerte en Het Toneelhuis Leonard Nolens een hommage aan in de Bourla. Met medewerking van Dirk van Bastelaere, Johan de Boose, Paul Claes, Y.M. Dangre, Paul Demets, Bernard Dewulf, Charles Ducal, Anna Enquist, Lies Van Gasse, Luuk Gruwez, Erik Jan Harmens, Kees 't Hart, Miriam Van hee, Maarten Inghels, Jan Kuijper, Wiel Kusters, Gwy Mandelinck, Bart Meuleman, Bart Moeyaert, Hagar Peeters, Erik Spinoy, Maud Vanhauwaert, Jan Vanriet en Peter Verhelst.

Acteurs Gilda De Bal, Tom Van Bauwel, Franz Marijnen, Hilde Van Mieghem, Josse De Pauw, Dirk Roofthooft en Vic De Wachter lezen voor uit de dagboeken van Nolens.

Elke aanwezige krijgt een gelegenheidsbundel cadeau.

Meer info: www.begeerte.be

Leonard Nolens Manieren van leven. Gedichten 1975-2011,Querido, 1.228 p., 39,95 euro

Leonard Nolens voltooit het vierde deel van zijn verzamelde dagboeken
Paul Demets - 30 september 2009

Jaren van duisternis en schitterend licht

Een dagboek publiceren, het is een hachelijke onderneming. Het is jezelf voor een tribunaal brengen waarin je verantwoording moet afleggen tegenover je lezers over jezelf en je werk. En dus vraagt het om genadeloosheid. Die zit zeker in Dagboek van een dichter, Leonard Nolens' verzamelde dagboeken van 1979 tot 2007.

In dat opzicht is het werkelijk het resultaat van een ontzagwekkende onderneming. "Een dagboek waar je een mensenleven voor nodig hebt om het uit te lezen", daar droomt Nolens van in 1979. Hij is dan tweeëndertig. Waarom dit zo is, verklaart hij bijna dertig jaar later zelf: "Ik vermoed dat wanneer men het dagboek leest van iemand die men denkt te kennen, men die andere als een afgerond individu voor zich ziet staan. Men wordt geconfronteerd met de brokkeligheid van zijn eigen bestaan." De dagboeknotities maken dit helemaal waar. Omdat Nolens zijn existentie, de noodzaak van leven en schrijven en dat aartsmoeilijke huwelijk tussen beide volop in de schaal werpt van de dame justitia, die wij als lezers zijn.

Beproeving

Het nieuwe, niet eerder gepubliceerde dagboekdeel, Verborgen agenda, overspant de periode 1998-2007. Zonder dat Nolens al te anekdotisch wordt, krijgen we toch een inkijk in de donkere kanten van zijn bestaan tijdens die jaren: hij beschrijft zijn verliefdheden, zijn periodieke onstuitbare drankzucht, de medische ingreep waarbij op een pijnlijke plek twee poliepen verwijderd worden. Het is een beproeving voor zijn vrouw. En Nolens is zich daarvan bewust, zoals blijkt uit meerdere, prachtige passages waarin hij de pijn en de blijvende aantrekkingskracht tussen hen beschrijft. "Laat ik je te vaak alleen? Maar je weet dat ik de dagen niet doorkom zonder al was het maar enkele uren aan mijn tafel te zitten, zelfs al komt er niets concreets uit mijn vingers", noteert hij over het isolement waarin hij en zijn Leen door zijn toedoen leven. En hij erkent dat zijn werk in grote mate dankzij zijn vrouw bestaat. Hij heeft het op haar veroverd: "In al zijn verschijningsvormen ben jij niet alleen jezelf, maar ook het jij van mijn werk. Ik heb me jou, of jij dat wou of niet, hier langzaam en vraatzuchtig, gulzig en geduldig toegeëigend."

Afzondering

Jaren van duisternis, maar ook van schitterend licht: er blijven prachtige bundels als Manieren van leven en Derwisj verschijnen. Nolens trekt er zich aan op, net zoals aan Laat alle deuren op een kier, de verzamelde gedichten. Het zijn jaren van kortstondige voldoening, maar meer nog van onvoldaanheid, zelfkwelling en kwetsbaarheid. Wanneer Gerrit Komrij hem als dichter afserveert door Nolens' unieke manier waarop hij poëzie uit zijn hoofd voor het publiek brengt, schertsend op de korrel te nemen, voelt hij zich dieper geraakt dan hij eerst wil toegeven: "Het verbaast me dat zulke aanvallen mij niet langer preoccuperen. Dat zou tot voor een paar jaar anders hebben uitgepakt. (...) Toch zal ik Komrij verzoeken mijn gedichten uit de eerstvolgende herdruk van zijn bloemlezing te verwijderen." Nolens blijft ook last hebben van schuldgevoelens over zijn bewuste isolement, die hij vaak door anderen krijgt aangepraat: "Ik heb ze gekend, die schuldgevoelens, zo tussen mijn twintigste en veertigste, en ze zijn geleidelijk maar nooit helemaal verdwenen naarmate de erkenning van mijn boeken groeide." Het hele dagboek bewijst eigenlijk het tegendeel van de vooroordelen: hoe vaak benadrukt Nolens niet dat zijn isolement noodzakelijk is om door wat hij in die afzondering schrijft met ons, lezers, in gesprek te gaan? Hij is trouwens ook niet de dichter die met zijn rug naar de wereld gekeerd verder leeft, zoals criticasters nog altijd over hem beweren. Hij leest kranten en kijkt televisie zoals iedereen. Natuurlijk is hij kritisch: over de hedendaagse beeldende kunst, die alleen nog een soort uiterlijk vertoon is, over de moderne communicatiemiddelen - "Mobiele telefoon, e-mail, internet, cyberspace: de wereld wordt een steeds hardnekkiger gerucht, een almaar grommender verwijt, een toenemende belediging" -, of over de waan van de dag, waarbij men de 'mensen van het jaar' belangrijker nieuws vindt dan de duizenden doden in Irak. In dit dagboekdeel vinden we weer de uitspraak die hij kort na de gruwelijke aanslagen op de Twin Towers deed en waarmee hij bij sommigen kwaad bloed zette: "In het hoofd en het hart van de daders gebeurden al die verschrikkelijke dingen in naam van de liefde." Nolens blijft in elk geval de maatschappij in de gaten houden, vooral via zijn dagboek. En ook in zijn isolement is hij niet alleen, want hij heeft het gezelschap van grote schrijvers en denkers die hem inspireren: Seneca, Kierkegaard, Nadjezjda Mandelstam of Thoreau. Schrijvend ontstaat een voortdurende dialoog met andere auteurs, maar zeker ook met zijn vrouw, met zijn familie. En dat geeft Nolens allemaal door aan de lezer: "In ieder woord dat ik hier schrijf veranderen mijn ouders in moedertaal, dus in een deel van jou. In ieder woord dat ik hier schrijf worden mijn dode ouders jij. Jij bent dus ook mijn vader en mijn moeder. Om dat te bereiken heb ik geschreven. Om je kind te zijn. De wees van iedereen." Hij legt elders het verband met het belang van het dagboek: "Hoe vaker de dagboekschrijver zijn plaats en datum noteert, hoe grondiger hij inziet dat vandaag over gisteren wordt geleefd en geschreven. Hij schept zijn eigen palimpsest, en al zijn jaren vallen samen op een onooglijk kleine maar grondeloos diepe plek." Toch noteert Nolens steeds vaker dat hij wil ophouden met zijn dagboek. Zijn notities worden, zeker vanaf 2005, echt schaars. Waarom hij er in 2007 een punt achter zet, maakt hij niet duidelijk. Misschien is het dagboek overbodig geworden omdat Nolens de weg heeft afgelegd die hij hier beschrijft: "Ik houd geen dagboek, ik schrijf mijn mens. Ik componeer geen poëzie, ik word een gedicht." We zullen het dagboek als dat andere genre dat Nolens beoefende om zichzelf in de gaten te krijgen en ons als lezer een inkijk te bieden, nog sterk missen.

Querido, 1.056 p., 39,95 euro.

Zonder dat Nolens al te anekdotisch wordt, krijgen we toch een inkijk in de donkere kanten van zijn bestaan.

Een helende buikpijn tegen de banaliteit
Marc Reugebrink - 21 november 2001

Leonard Nolens is een dichter die er vanaf zijn eerste bundel eigenlijk onmiddellijk en compleet was. "Kom // gezocht / gezicht / dat blijft", zo luiden de laatste woorden van het eerste gedicht dat in de verzamelbundel Hart tegen hart werd opgenomen. In zijn nieuwe bundel, Manieren van leven, wordt in het eerste gedicht, slapend, op de tast gewerkt aan een nog onbekend gezicht: "Bang wachten tot het traag te voorschijn wordt gewoeld (...) / tot ik er daag / In versleten manieren van leven", zo heet het daar. Daartussen voltrekt zich nu al meer dan twintig jaar een dichterschap dat van meet af aan vast leek te liggen. Alsof de dichter er op een dag toe besloot en pas daarna met schrijven begon. Zijn poëzie lijkt zoiets als de uitkomst van een afgerond denken te zijn, van een filosofie die niet zozeer in en door de poëzie zelf vorm krijgt, maar door die poëzie wordt geïllustreerd. Dat laatste zal de reden zijn waarom Nolens in het verleden de nodige kritiek heeft gekregen van degenen voor wie poëzie niet de invulling is van wat al voor het schrijven vaststaat, maar de ontdekking van wat men nog niet wist. Het is, vanuit een dergelijk standpunt, niet moeilijk om in Nolens zoiets als een nostalgicus te zien, iemand die het verleden vergoddelijkt en juist daardoor omtovert in een onbereikbaar geworden gouden tijd, "een tijd dat tijd nog niet bestond", zoals hij in Manieren van leven schrijft: "Ik was compleet mezelf en wist het niet. / Ik had nog niet gegeten van mijn naam. / Ik had nog geen horloge ingeslikt." Maar tegelijkertijd is een dergelijke karakterisering wat al te eenzijdig, al was het maar omdat "de tijd dat tijd nog niet bestond", verwijst naar de tijd dat Nolens nog niet bestond. Hoewel er in zijn oeuvre meer dan voldoende gedichten zijn die doen denken aan een fotoalbum met deels vergeelde kiekjes uit het spreekwoordelijke kinderparadijs, zijn poëzie is uiteindelijk de, voor hem, enige mogelijke aanwezigheid tussen twee afwezigheden: de prenatale en de postume. In die zin spreekt deze poëzie nooit zomaar over de wens om weer het kind te mogen zijn, maar vooral over de wens er niet te zijn.

En daarmee beland je onmiddellijk in het hart van deze poëzie. Geboorte is in dit werk gewoonlijk al het echec, iets wat maar beter niet had kunnen plaatsvinden, iets waarop de ouders ook telkens worden afgerekend - "Hun speelziek bloed is mijn tristitia", schrijft hij als hij zich zijn eigen conceptie te binnen brengt. Maar dat wil niet zeggen dat de dichter daarom de dood verkiest.

Nolens zoekt aanwezigheid, en daarmee treedt hij in feite in het discours van de postmoderne dichters die, net als hij, weten dat er geen waarheden bestaan waarbij men het leven kan onderbrengen, dat het leven zelf niet langer van God gegeven is en geen hogere betekenis heeft. "Omdat er afwezigheid / is is // er poëzie", schreef Van Bastelaere ooit, en lezend in Nolens heb je het gevoel dat hij dit eigenlijk zou moeten onderschrijven - eigenlijk, want juist tegen de postmodernen trekt Nolens in zijn gedichten meermalen ten strijde. Hij zou het denk ik onderschrijven als Van Bastelaere met deze regels maar bedoeld zou hebben dat de poëzie dús het enige is dat aanwezig kan zijn. Maar alles in Van Bastelaeres werk spreekt dat tegen. Van Bastelaere bedoelt veeleer het omgekeerde: dat alleen in poëzie die afwezigheid er is. Elk gedicht koerst dan ook op die afwezigheid af. Het ontdoet de maker van zijn ik, ontmaskert dat ik als een samenstel van aangeleerde zienswijzen die de werkelijkheid zoals zij werkelijk is, zoals zij buiten het denken om aan den lijve wordt ervaren, verbergt, of zelfs: ontoelaatbaar vervalst. Die afwezigheid is natuurlijk paradoxaal; het gedicht blijft een "vloekende vingerafdruk", zoals de Nederlandse dichter Gerrit Kouwenaar het ooit omschreef: een aanwezigheid die zichzelf om zeep tracht te helpen, die de gezochte ervaring in de weg zit omdat zij haar benoemt, vastlegt in een naam, een begrip, een concept, en zo ontoelaatbaar inperkt. Nolens zou niet liever willen dan die naam vinden. Hij wil uitkomen bij het "prachtig boek" waarover het in de reeks 'Bres III' gaat (de eerste twee reeksen onder die titel vindt men in vorige bundels). Het is een boek dat "ritselt met uitslaande vleugels / Van pap" en dat opwiekt "naar die leugen / Met baard in de wolken bedolven", een boek "Dat ons tuchtigt en troost met zijn rijzweep / Van vlinders, ons inzicht versnelt / In die godloze hoogte van leegte." Dat is het boek dat hij pent, "dat ik ben", zoals hij schrijft. Maar de aanwezigheid die op die manier, gedicht na gedicht, bundel na bundel, gestalte krijgt, is óók paradoxaal. Nolens weet dat hij dat "prachtig boek" nooit zal kennen, zoals hij weet op weg te zijn naar een gezicht "dat blijft" en dat hij juist daarom nooit zal zien. Dat is immers het gezicht dat niet meer verandert, waarin de tijd niet meer bestaat, een dood gezicht, kortom.

De naam is niet te vinden, zoals het gezicht niet te vinden is, het boek nooit geschreven kan worden, maar dat is nu precies de reden waarom Nolens van zijn poëzie een god heeft gemaakt, de plek waar het leven wordt ontmaskerd als een banaliteit, als zinloos, maar waar toch steeds zoiets als een 'ziel' tegen die conclusies spreekt. Ieder gedicht heeft iets van een hostie die door de priester omhoog wordt gehouden, en ook al brengt die hostie hem de smaak van het niets, daarin en daarin alleen wordt de dichter deelachtig wat hem bestaan verleent. Het is toch steeds een hoger niets. Hij is en blijft de jongen die ooit met honger de provincie verliet, zoals hij het omschrijft in 'Jubels': "Die lege maag van hem! Dat schroeiende gat / Waarin toch ooit een zoekgeraakte Jezus / Zijn wittebrood was, een vet glanzende God, / Een helende buikpijn tegen de banaliteit / Van wroeten, sparen, bouwen, schulden!"

Men moet daar tegen kunnen, tegen dit katholicisme zonder God, dat van de dichter meermalen zoiets als een martelaar maakt, een "heilige", zoals hij het zelf ooit eens omschreef, een middelaar tussen wat dan nu "die godloze hoogte van leegte" heet, en het slijk van een meer alledaags bestaan. Bij dichters van minder kaliber is men al snel geneigd om hier van geposeerdheid te spreken. Maar Nolens is, ondanks soms tenenkrommende pathetiek, toch een net te sterke dichter, met krachtige en ook vaak prachtige beelden die op zoek naar die ene bevestiging - de eigen aanwezigheid - uitmonden in hun tegendeel: in destructie. En omgekeerd: in hun destructieve kracht verwijzen naar een aanwezigheid die tot achter het zegbare verschoven is en zich daardoor des te heviger manifesteert. En ook daar moet men tegen kunnen, want de dichter krijgt daarin wel eens de trekken van een fundamentalist - van iemand die bereid lijkt alles op te offeren voor de poëzie, voor een aanwezigheid die inderdaad beter 'maar poëzie' blijft.

Als hardnekkige vraag aan een denken dat misschien al te makkelijk afrekent met de eigen aanwezigheid, kan deze poëzie tellen. Maar men moet toch wel een erg sterke maag hebben om hier alles te slikken. Want soms, al is dat al te villein, zou men lezend in Nolens haast wensen dat poëzie niet bestond.

Leonard Nolens

Manieren van leven. Gedichten
Querido, Amsterdam, 96 p., 785 frank.

Deze poëzie spreekt nooit zomaar
over de wens om weer het kind te
mogen zijn, maar vooral over de wens er niet te zijn.

De Standaard (2)

Ik ben alleen maar woorden
Jelle Van Riet - 02 oktober 2009

Ook Nolens' vuile was stinkt,

maar hij kan ze zo prachtig ophangen

dat je ze nauwelijks ruikt

'Al mijn notities zijn mislukte gedichten.' Er is in het noordelijke halfrond vast geen slechtere verkoper te vinden van Leonard Nolens' Dagboek van een dichter dan Nolens zelf. Allicht zal men ook nergens straffer geformuleerde antireclame voor deze notities aantreffen dan in de notities zelf. Dit dagboek, zo lijkt de dichter ons te allen tijde voor ogen te willen houden, is niets meer dan de plek waar de vingers worden gestrekt en geoefend voor het échte werk: de poëzie. Of zoals Nolens het zelf verwoordt: 'Het dagboek is de woord geworden incubatietijd van het gedicht.'

Gelukkig ben ik niet zomaar af te poeieren en heb ik al die zogenaamd mislukte gedichten, goed voor 1057 bladzijden, koppig wél gelezen. Ik heb genoten, gewroet en gedroomd, want hetgeen Nolens tussen 1979 en 2007 aan zijn cahiers heeft toevertrouwd, is de roman van zijn leven. 'Een leven dat opgaat in teksten.'

Een leven dat opgaat in teksten, in het geval van Leonard Nolens mag u dat geweldig letterlijk nemen. Terwijl u en ik onze tijd verstrooien over werk en vertier, over vrienden en geliefden, leeft de dichter bijna uitsluitend voor zijn poëzie. 'Ik ben alleen maar woorden', lees ik in de notities. Concreet betekent dit dat Nolens het merendeel van zijn dagen slijt in zijn werkkamer, een plek waar hij naar leven hapt in gedichten en waar hij via zijn dagboeknotities in gesprek gaat met zichzelf. Decennialang al gaat hij er 's morgens heen om er alleen te zijn met taal, om er te lezen, te denken en te schrijven. Dat laatste uit noodzaak, want het is 'schrijven of verdwijnen'. Voor Nolens staat leven immers synoniem voor leven creëren en het is net in dat isolement, die 'pathologische eenzaamheid' en die 'zelfingenomen onthechting' dat zijn verzen worden geboren. 'Dat wat jij [Nolens richt zich hier tot zijn vrouw, jvr] mijn verstrooidheid, mijn afwezigheid, mijn wereldvreemdheid noemt, dat zijn mijn boeken.'

Navelgraven

Hoewel Nolens zich onlangs nog een nieuwe typemachine (!) heeft aangeschaft, weiger ik hem wereldvreemd te noemen. Natuurlijk is het merkwaardig dat in Nolens' notities van 1989 nergens de woorden Berlijnse Muur opduiken en in die van 2001 slechts vaagweg naar vliegtuigen en torens wordt verwezen, maar dat eeuwige navelgraven is net wat van Nolens Nolens maakt. Hij wil - ik leen zijn woorden - zelf het nieuws van de dag zijn en de realiteit vieren in gedichten. Of nog: 'Wat komt een mens als jij [] te weten over de wereld? Wat hij ervan maakt.' Welnu, wat hij ervan maakt is niet alleen belangwekkend nieuws, het getuigt ook van wereldwijsheid. Nolens weet wel degelijk wat er buiten roert, hij kiest gewoon overbewust voor zijn binnen. Alleen zo kan hij overleven. Eigenlijk zegt het motto van Leopold Flam, op de allereerste bladzijde van het allereerste cahier, alles: 'Nadenken over het eigen lot heeft geen ander doel dan een gemeenschap te vinden die een einde maakt aan de verbanning.'

Ik ontken het niet, Nolens beantwoordt aan het dichterscliché - alleen al die typemachine! - maar wat dan nog? Hij is het die dat moeilijke, met poëzie vereenzelvigde leven moet ondergaan, wij krijgen de gedichten.

Natuurlijk klinken uitlatingen zoals 'poëzie heeft mijn leven gered' nogal hoogdravend, maar voor Nolens is het bittere ernst. Als die 1057 bladzijden dagboeknotities iets blootleggen, dan is het de authenticiteit van Nolens' pijn, noem het levenspijn. In 1981 noteerde hij: 'Er gaat geen dag voorbij of ik denk aan zelfmoord.' Op dat moment is de dichter vierendertig jaar, hij is een wees en heeft zelf twee zonen achtergelaten om bij een vrouw te zijn, Leen. Over het verlies op jonge leeftijd van zijn beide ouders noteert hij: 'Nooit heb je de tijd gekregen om in hun ogen je geboorte te verdienen.' Dus schrijft hij poëzie - dat maakt die geboorte alsnog de moeite waard - want vergis u niet, Nolens weet wat hij als dichter waard is. 'Als je eerlijk bent jegens jezelf, moet je erkennen dat je niemands leven en werk zo boeiend vindt als het jouwe.'

Niet eens zo'n slechte

Waarmee ik niet heb beweerd dat Nolens zichzelf een geweldige vent vindt. Hij houdt slechts wezenlijk van wie hij wil worden en enkel schrijvend kan hij zichzelf enigszins verdragen. Het is zijn pennenvrucht - die 'zinnen om de zinloosheid wat glans te geven' - die hij naar waarde schat. Als hij naar Leon Nolens kijkt, ziet hij 'een luis', maar ook iemand die er altijd weer in slaagt om tijdelijk angst, waanzin en alcoholisme te overmeesteren. Hij schrijft het neer met enige frivoliteit, maar de notities zijn ook echt doordrenkt van de Bols en het bier, van de sigaretten en de Lexotan, van de pis en het bloed. 'Voor voorzichtigheid heb ik geen talent', weet Nolens en af en toe heb ik hem dat al lezend verweten. Ik dacht aan zijn vrouw en zijn zonen en werd boos. 'Houd op', riep ik toen ik las hoe hij zich na een periode van droogte weer eens in de 'alcohel' stortte, maar ik wist ook dat niemand liever wilde ophouden dan Nolens zelf. 'Ja, ja', schrijft hij dan, 'ik ben een alcoholist. Maar ik ben ook een dichter. En niet eens zo'n slechte.'

Het is niet om te choqueren dat de dichter dat soort van intimiteiten in zijn notities prijsgeeft. Hij probeert alleen zo naakt en oprecht als mogelijk naar buiten te komen. 'Het wezen, de essentie van een mens is zijn totaliteit', vindt Nolens. 'Daarom horen ook mijn snotbellen en zweetvoeten thuis in de alexandrijnen die ik schrijf.' Voor zoveel waarachtigheid kan de lezer niet anders dan begrip en empathie opbrengen, temeer daar het allemaal zo mooi geformuleerd is. Of misschien juist daardoor. Ook Nolens' vuile was stinkt, maar hij kan ze zo prachtig ophangen dat je ze nauwelijks ruikt. Bovendien is er nog iets waardoor ik de snotbellen en zweetvoeten van de dichter er voor lief bijneem: elke pagina van Nolens'dagboek baadt in liefde. De liefde voor Seneca, Rembrandt en Bach, 'altijd weer Bach'. Voor Mandelstam en de oudere zus die 'het huis vulde met de nostalgie van de zingende vleugel'. Voor Elias Canetti, Friedrich Hölderlin en Paul Valéry. Voor Leen en zijn twee jongens, aan wie hij de cahiers opdraagt.

Verankering

Het doet pijn te lezen hoe een laveloze Leonard Nolens 's nachts aan een toog niet eens zijn zoon David [de romanschrijver, jvr] herkent, maar even aangrijpend is de immense schaamte die hem de volgende ochtend bekruipt. 'Ik zou hun moeder willen zijn', schrijft hij over zijn zonen. Ik geloof niet dat de liefde van een vader voor zijn kinderen ooit krachtiger is uitgedrukt. Ook de band met Leen - zijn wonder, zijn utopie, zijn geheim, zijn talent, zijn geliefde noodlot - is van een haast onwereldse hechtheid.

In de dertig jaar die de cahiers bestrijken, neemt dit koppel vele nieuwe vormen aan. Ze overleven elkaars verraad, verlangen en verslaving. Ze laten de vervreemding binnensijpelen om daarna weer noodgedwongen in elkanders armen te eindigen. 'Er is geen andere uitweg dan wij', schrijft Nolens, want 'elkaar verlaten is een dood'. En hier, nog een liefdesverklaring om u van uw sokkel te blazen: 'Want zelfs al hak je mijn handen af, al verbrand je mijn manuscripten, ik zal altijd van je blijven houden.'

Nolens geeft aan dat hij 'waarschijnlijk' heeft gefaald, maar of hij werkelijk heeft gefaald, laat hij slim in het midden. Tenslotte zijn er de gedichten en het gedicht is 'onverwoestbaar'. Compenseren kan het niet, maar er is ongetwijfeld 'hier en daar een vreemde, ginder, die jou lezend zich herkent'. Hetzelfde is ook voor deze dagboeknotities van kracht. Hier en daar zal een vreemde er zichzelf (of een ander) in herkennen; hier en daar zal een vreemde er de moeizame weg van een erudiete, twijfelzieke en drankzuchtige wijze door leren begrijpen. Hier en daar ook zal een liefhebber van Nolens' poëzie inzien hoe diep verankerd in een leven die gedichten liggen. 'Ik bén dat werk, of beter, ik moet leren aanvaarden dat ik het ben, in de bedroevende wetenschap dat ik altijd voor mezelf zal onderdoen. Trots en schaamte, hybris en nederigheid, zelfrespect en zieligheid ineen.'

Nolens heeft, dat weet hij steeds zekerder, de juiste keuze gemaakt, namelijk geen. Dagboek van een dichter heten deze notities en dat zijn ze ook. Nolens mag ze dan al 'mislukte gedichten' noemen, het zijn wél gedichten.

DE AUTEUR: Leonard Nolens (1947), een van onze belangrijkste dichters.

HET BOEK: beschrijft zijn worsteling met het bestaan en de poëzie. ONS OORDEEL: elke pagina van dit dagboek baadt in liefde.

Dagboek van een dichter 1979-2007.

Querido, 1056 blz., 39,95 euro.

Het Andere Boek: Piet Piryns praat met Leonard Nolens op zaterdag

3 oktober om 17u in het Atelier.

Nieuwe dichtbundel van Leonard Nolens
Yves T'Sjoen - 31 oktober 2001

De nieuwe dichtbundel van Nolens verrast op drie manieren. Niet zozeer op thematisch gebied: nog altijd beheersen de introverte en extraverte bewegingen deze existentiële dichtkunst. Nolens' lyrische ik verhoudt zich nog steeds uiterst paradoxaal tot anderen en tot de vereniging met de ander. Het gecompliceerde, teruggetrokken ik in zijn gedichten verzet zich tegen massificatie, tegen conventionele omgangsvormen, tegen de afgeleefde taal. Maar tegelijk tracht het een volkomen eigen idioom te ontwikkelen, is het afhankelijk van het woord, om die uniciteit te kunnen meedelen, om de ander deelgenoot van de eigenheid te maken. Die paradox is misschien wel het hoofdthema van Nolens' kunstenaarschap.

Het gedicht De infinitief begint als een hymne aan dit streven naar eigenheid: ,,Jezelf zijn./ Jezelf zijn om het even wie./ Maar jezelf zijn.// [...] Maar jezelf zijn./ Hoe prachtig, hoe vermoeiend,/ Jezelf zijn om het even wie.''

Het verrassingselement in deze bundel schuilt evenmin in de versificatie van de gedichten. Sinds De gedroomde figuur (1986) componeert Nolens zijn gedichten strakker, ze zijn doorgaans korter dan voorheen, geconcentreerder, de strofen worden steeds symmetrischer opgebouwd. Nolens' poëzie is mettertijd ook narratiever geworden en breder van opzet. Die tendens zet zich eveneens door in Manieren van leven . De bundel bevat niet alleen gedichten in parlandostijl, maar ook opvallend veel woordelijke en fonetische herhalingen.

Het herhalen van versregels, van zinsconstructies en soms van integrale strofen genereert vaak een bezwerend ritme, waardoor de poëzie het karakter krijgt van een incantatie, niet toevallig de titel van een eerdere bundel van Nolens. Een voorbeeld is het gedicht De krantenlezer :

Ik ben maar dagelijks.

Ik ben geen perspectief.

Ik leef maar rakelings.

Die strofe wordt drie keer hernomen in het achtstrofige gedicht. Vooral in de laatste reeks van de bundel, ,,Bres'' geheten, zijn zulke terugkerende constructies zeer nadrukkelijk aangebracht. (In twee eerdere bundels zaten ook al cycli die ,,Bres'' heetten. Nolens werkt sinds enkele jaren aan een gelijknamige bundel waarin hij het onvermogen om een bres te slaan tussen het ik en de ander -- de geliefde, de moederfiguur, de wereld -- uitdiept.)

Behalve door de veelvuldige herhaling van versregels valt deze nieuwe bundel ook op door talloze apart gezette scharnierregels: een of uitzonderlijk twee versregels die door witruimte zijn omgeven en een baken of rustpunt vormen tussen symmetrisch opgebouwde, regelmatig geritmeerde strofen. In Nolens' gedichten kunnen aan die aparte regel uiteenlopende betekenissen worden toegeschreven. In het openingsgedicht Wekdroom kan de versregel ,,Bang wachten tot het traag te voorschijn wordt gewoeld'', geprangd tussen twee vierregelige strofen, bijvoorbeeld een overgangsmoment markeren: de lethargie, het mentale immobilisme uit de eerste strofe contrasteert hier met een moment van ontwaken, het letterlijk ,,dagen'' in versleten manieren van leven (in de betekenis van ,,ontwaken'', maar ook van ,,openbaren''). In andere gedichten kan de tussenregel, die door de opvallende plaatsing in het gedicht meer nadruk krijgt dan andere regels, worden gelezen als een grens tussen de eigen droomwereld en het maatschappelijk rollenpatroon, tussen de wereldvreemde houding en de opgedrongen verwachtingen (zoals in Engagement , waarin het lyrische ik een apologie voor het eigen droombestaan houdt). NOLENS' gedichten, nu eens opvallend rijmend en dan weer vrij meanderend, zijn op schijntegenstellingen gebouwd. Het gebruik van paradoxen is in deze poëzie een beproefd retorisch werkinstrument, en het wordt in Manieren van leven met opvallende gretigheid aangewend. Het ik, bij uitstek een literaire constructie, staat op zijn alleenzijn, maar is tegelijk onlosmakelijk verbonden met het verleden, de herinneringsbeelden, met de vader- en moederfiguur. Het pregnantst wordt het ik omschreven in Auf dem Wasser zu singen (naar een lied van Schubert). Hierin loopt het ik ,,door de lange koele gang [...] van het huis'', alleen geflankeerd door de stemmen van zijn doden: ,,Zij zijn afwezig vlees. Ik ben dat zichtbaar ook.'' Over paradoxen gesproken. Het ik is er nooit weg geweest, het draagt in zich die vele stemmen: ,,Ik heb mijn leven van hun doodzijn afgekeken.'' Het ik dat we hier in strijd zien met het verleden, dat de dichter onmogelijk van zich af kan schudden en waar hij zijn (on)persoonlijke eigenheid aan te danken heeft, krijgt in deze bundel verschillende gestalten. En precies in die diversiteit van het ik of, zoals de titel aangeeft, in de verbeelding van de manieren van leven (of de verschillende gedragslijnen), schuilt voor mij het derde verrassingselement. Of beter: het échte vernieuwende elan van de bundel.

Het ik dat voorheen absoluut werd geformuleerd, in een weerbarstig persoonlijk idioom, en een onverwisselbare eigenheid koesterde, blijkt nu uit vele ikken te bestaan. Het lijkt erop dat Nolens, zoals we lezen in het jongste dagboek De vrek van Missenburg , het ik steeds nadrukkelijker problematiseert. Die idee heeft Nolens het scherpzinnigst verwoord in het gedicht Alleenzijn:

Dus nu jij alleen bent, ga voort

Met alleenzijn, en dring diep door

In alleenzijn, en tot je verdwijnt

In alleenzijn tot al dat alleenzijn

Niet langer van jou is,

Niet langer van jou alleen.

Alleenzijn is altijd een ander.

Dit zijn cruciale regels in deze bundel. Het spel met afsplitsingen en verdubbelingen van het ik kwam uiteraard al eerder voor in Nolens' poëzie, bijvoorbeeld in het ritmisch-fonische spel met de persoonlijke voornaamwoorden in de bundel Liefdes verklaringen (1990). Maar nu creëert Nolens voor het eerst andere, verwante figuren die rakelings naast de werkelijkheid leven, die de buitenwereld observeren, die ondergedoken en op de vlucht leven. En op die manier zijn die personae weer allen afgeleiden van het ik dat op een eigen manier geen deel wil hebben aan het drukke dagelijkse bestaan.

NOLENS' poëzie is blijkbaar aan een nieuwe wending toe, zonder aan de specificiteit van de dubbele thematische beweging, naar binnen én naar buiten, of aan het speelse en bewust overmatige gebruik van het retorische arsenaal (van bijna infantiele, al te nadrukkelijke woordspelletjes, zoals ,,een hart van slag'' of ,,na lief en leed/ Van lieverlede aangeland'' tot allerlei variaties op ambivalenties) of zelfs aan de integratie van allerlei bijbelse en literaire reminiscenties te raken. De thematiek van het absolute ik en van het onvermogen zich te bevrijden wordt verder verbreed, en opent weer nieuwe perspectieven. Het ik blijft een boeiende categorie waarover Nolens in dagboeken en poëzie op een ernstige en veeleisende manier blijft nadenken.

LEONARD NOLENS, Manieren van leven, Querido, Amsterdam, 96 blz., 19,5 euro (786 fr.).

Volgende week leest u in deze bijlage een interview met Leonard Nolens.

Engagement

Wereldvreemd, zeg jij. Maar vreemd aan welke wereld?

Buiten de ziedende zon. En binnen barrevoets lopen

Over de koele tegels van mijn vloerloos huis, alles

Hangt in de lucht, een Zuiden, jij, veel geld, ook ik,

Is dat dan wereldvreemd? Maar vreemd aan welke wereld?

Moet ik de maag van mijn nieuwsgierigheid dan voeden

Met jouw ellende? En ga ik niet vrijuit in mijn droom?

Heb ik het recht niet om te zingen als jij lijdt?

Of mag mijn poëzie geen lastige vragen stellen

Aan mijn poëzie? Moet ik mijn gouden vingers breken

En bloedgazetten lezen met mijn machteloze handen?

Moet ik mijn kinderspel voor altijd onderbreken?

Moet ik het journaal bewenen met volwassen ogen?

Jij hebt een grote pijn aan de andere kant van de aarde

Of hier in mijn straat, en ik heb de mijne, klein, privé

En wereldvreemd, zeg jij. Maar vreemd aan welke wereld?

Uit Manieren van leven.

Leeswolf

Leonard Nolens blijft zichzelf maniakaal getrouw; thematisch en stilistisch vormt Manieren van leven een naadloze aanvulling bij het eerder werk van de dichter. De krijtlijnen van Nolens' universum blijven immers dezelfde. De dichter verkent in zijn werk niet aflatend de contouren van zijn eigen 'ik'. Die subjectiviteit vormt enerzijds een inspiratiebron, maar is tegelijk een onophoudelijke bron van ergernis en schaamte. Het dichterlijk ik is immers niet zelfgenoegzaam -- met uitzondering van die passages waarin het geloof in het dichterlijke woord overweegt --, maar ervaart zichzelf als gebroken en versplinterd, gedreven door een onnoembare drang, nooit in staat om zichzelf of anderen enige bevrediging te schenken. De andere personages in deze poëzie -- en dan in de eerste plaats de aangesproken geliefde -- worden steevast in dezelfde relationele problematiek gesitueerd; zij zijn onbereikbaar voor het woord van de dichter, zij kunnen hem nooit geheel in zijn identiteit bevestigen. Die thematiek verklaart meteen de sterk insisterende, incantatieve toon van Nolens' lyriek. De dichter wil bezweren en blijven, en kiest daarvoor resoluut voor de herhaling, het pathos en de totale (om niet te zeggen, totalitaire) zegging. Schrijven en leven vormen in die optiek dan ook quasi-volstrekte synoniemen. Alle lezers zijn die contouren van Nolens' dichterschap onderhand reeds lang gewoon. En toch, het werkt opnieuw op een fenomenale wijze. Van bij het begin wordt de lezer ondergedompeld in deze extreme wereld, waaruit hij zich niet meer kan bevrijden. Wat bij andere dichters vaak als pose ervaren zou worden, wordt bij Nolens tot een ingrijpende én aangrijpende confrontatie met het ik van de dichter, maar evenzeer met het eigen ik van de lezer. De spiegel die Nolens zichzelf en zijn lezers voorhoudt, is een vervormende spiegel, waarin alles soms komische, soms angstaanjagende proporties aanneemt, maar het is en blijft toch ook een spiegel. Sterker nog, wat mij betreft heeft Nolens hier zijn sterkste bundel van de afgelopen jaren neergezet, een bundel die zeker de vergelijking met het bijzonder succesrijke Liefdes verklaringen (1990) kan doorstaan. Deze Nolens mag dan wel herkenbaar en voorspelbaar zijn, weergaloos is hij evenzeer. [Dirk De Geest]

NBD Biblion

Drs. Erik Kreytz
Acht jaar na zijn vorige verzamelbundel verschijnt nu een dik boek met achttien bundels van deze belangrijke Vlaamse dichter (1947). Het boek vormt samen met het 'Dagboek van een dichter'* een tweeluik. Nolens wil ontsnappen aan het individuele en spreekt zich heel direct uit tot de lezers over onder andere hun relaties tot elkaar, tot de drinker, de vluchteling, de geliefde; over de geschiedenis en hun situatie nu. Zijn klankrijke en beeldende taal imponeert door de aanhoudende zoektocht naar de essentie van het moderne leven, dat in zijn vele facetten zonder sentiment of zware woorden op een aangrijpende manier wordt overgedragen. De bezwerende toon gaat geleidelijk over naar een meer observerende kijk op wereld en werkelijkheid. De gedichten blijven overtuigen van de veelzijdige rijkdom van ons leven; om daaraan vanuit de vele middelen en mogelijkheden van onze religieus geïnspireerde cultuur uiting te kunnen geven. Grootse en meeslepende poëzie. Nolens kreeg onlangs de driejaarlijkse Prijs der Nederlandse Letteren toegekend.