Een stukje van de regenboog : de mooiste kindergedichten van het afgelopen decennium
Wat je ziet, zit in je hoofd : de 100 mooiste kindergedichten van nu
Details
Genre
Gedichten
Extra onderwerp
GED,
poëzie,
Poëziebundels,
gevoelens,
Familie,
school,
natuur,
dieren,
Slapen gaan,
Gedichten ; Kinderen,
poëzie (jeugd),
West-Vlaanderen ; kinderpoëzie ; 2011,
Nederlandstalige kinderpoëzie ; 2011-2020,
Poëzie (jeugd verhalend),
Gedichten (jeugd verhalend),
Gedichten (jeugd),
Genre Gedichten,
Gedichten (jeugd informatief),
Poëzie (jeugd informatief),
Voorleesverhalen,
Gedichten ; basisonderwijs,
Versjes,
families,
bloemlezingen,
Dichtwerken ; bloemlezingen,
Tips voor kinderen 2012
Minder
Titel
Wat je ziet, zit in je hoofd : de 100 mooiste kindergedichten van nu
Samensteller
Jan Van Coillie
Illustrator
Kristien Aertssen
Taal
Nederlands
Editie
1
Uitgever
Leuven: Davidsfonds /Infodok, 2011
155 p. : ill.
155 p. : ill.
ISBN
9789059084254
Besprekingen
Leeswelp
Jan Van Coillie presenteert de ‘100 mooiste kindergedichten van nu’. Deze gedichten zijn geordend…
Jan Van Coillie presenteert de ‘100 mooiste kindergedichten van nu’. Deze gedichten zijn geordend rond zeven thema’s. Sommige zijn abstract, andere sluiten aan bij de wereld van het kind. Van Coillie wil de geselecteerde gedichten ook in een ander perspectief plaatsen.
Hij rangschikt ze op onderwerp, ‘twee aan twee’. Soms knoopt de illustratie bij die tweeledigheid aan en verenigt ze elementen uit beide gedichten in één beeld, wat krachtige, gelaagde prenten oplevert. Veel vaker echter krijgen beide gedichten een afzonderlijke illustratie of loopt de illustratie van een van beide gedichten over de dubbele bladzijde.
De kinderlijk-naïeve illustraties van Kristien Aertssen zijn met hun uitbundige kleurgebruik en vloeiende, wat stuntelige vormen bedrieglijk eenvoudig. Ze verzoent het werkelijke onopvallend met het magische en schetst verzonnen elementen steevast in blauw. Zo bieden de illustraties een opstap naar het gedicht en maken ze de inhoud concreter zonder het gedicht helemaal van zijn poëzie te beroven. Poëzie biedt meer mogelijkheden voor de illustrator dan verhalende fictie. Teksten worden losgekoppeld van hun oorspronkelijke beeld en opnieuw geïllustreerd. Hierdoor krijgen de oorspronkelijke illustraties een tweederangsrol, terwijl de andere illustraties andere aspecten van het gedicht naar boven halen. Dit werkt echter niet altijd. Hoewel Aertssens kleurrijke, wat kinderlijke tekeningen mooi aansluiten bij de gedichten, gaat zij vrij ‘beschrijvend’ te werk. Andere keren stippelt ze wel een extra dimensie uit.
Het voorwoord plaatst de bloemlezing in het rijtje van Van Coillies eerdere bundels en schetst de belangrijkste tendensen in de kinderpoëzie van het afgelopen decennium. Zo biedt de bundel een boeiende inkijk in de evolutie van kinderpoëzie — en Van Coillies eigen poëtica. Van Coillie bemerkt een toegenomen aandacht voor gedachten en een verschuiving van benoemen naar ‘oproepen’. Hij gaat vooral in op inhoudelijke tendensen. Wellicht omdat de doelgroep niet thuis is in het vormtechnische aspect, maar waarschijnlijk omdat de vormelijke verschuiving in de kinderpoëzie al eerder plaatsvond. In de jaren tachtig ontstond een toenemende aandacht voor beeldspraak en vrije verzen. Deze vormelijke evolutie lijkt het minst doorgedrongen in de ‘typische’ kinderthema’s zoals ‘dieren’ en ‘sterke verhalen’, waar rijm sterker vertegenwoordigd is.
De belangrijkste criteria bij het samenstellen van deze bundel – originaliteit, authenticiteit, de juiste spanning en vakmanschap – zijn grotendeels gerespecteerd. De selectie blijft echter beperkt tot volwassen dichters, met name de recentere en oorspronkelijk Nederlandstalige. Enkele geselecteerde dichters wijken hiervan af, maar het is niet duidelijk waarom zij wel een plek in de bundel kregen. Alle bekende jeugddichters van de afgelopen jaren zijn vertegenwoordigd.
Van Coillie heeft een evenwichtige bloemlezing samengesteld, aantrekkelijk voor een breed publiek. De thematiek van de poëzie sluit aan bij kinderen tussen acht en twaalf, de illustraties lijken gericht op een jonger publiek. Gevoelsmatig kunnen beeld en poëzie ook de jongste lezers aanspreken.
(Dit is een abstract van een artikel van Frauke Pauwels. De volledige tekst is verschenen in De Leeswelp 2012, nr.1.)
[Frauke Pauwels]
Hij rangschikt ze op onderwerp, ‘twee aan twee’. Soms knoopt de illustratie bij die tweeledigheid aan en verenigt ze elementen uit beide gedichten in één beeld, wat krachtige, gelaagde prenten oplevert. Veel vaker echter krijgen beide gedichten een afzonderlijke illustratie of loopt de illustratie van een van beide gedichten over de dubbele bladzijde.
De kinderlijk-naïeve illustraties van Kristien Aertssen zijn met hun uitbundige kleurgebruik en vloeiende, wat stuntelige vormen bedrieglijk eenvoudig. Ze verzoent het werkelijke onopvallend met het magische en schetst verzonnen elementen steevast in blauw. Zo bieden de illustraties een opstap naar het gedicht en maken ze de inhoud concreter zonder het gedicht helemaal van zijn poëzie te beroven. Poëzie biedt meer mogelijkheden voor de illustrator dan verhalende fictie. Teksten worden losgekoppeld van hun oorspronkelijke beeld en opnieuw geïllustreerd. Hierdoor krijgen de oorspronkelijke illustraties een tweederangsrol, terwijl de andere illustraties andere aspecten van het gedicht naar boven halen. Dit werkt echter niet altijd. Hoewel Aertssens kleurrijke, wat kinderlijke tekeningen mooi aansluiten bij de gedichten, gaat zij vrij ‘beschrijvend’ te werk. Andere keren stippelt ze wel een extra dimensie uit.
Het voorwoord plaatst de bloemlezing in het rijtje van Van Coillies eerdere bundels en schetst de belangrijkste tendensen in de kinderpoëzie van het afgelopen decennium. Zo biedt de bundel een boeiende inkijk in de evolutie van kinderpoëzie — en Van Coillies eigen poëtica. Van Coillie bemerkt een toegenomen aandacht voor gedachten en een verschuiving van benoemen naar ‘oproepen’. Hij gaat vooral in op inhoudelijke tendensen. Wellicht omdat de doelgroep niet thuis is in het vormtechnische aspect, maar waarschijnlijk omdat de vormelijke verschuiving in de kinderpoëzie al eerder plaatsvond. In de jaren tachtig ontstond een toenemende aandacht voor beeldspraak en vrije verzen. Deze vormelijke evolutie lijkt het minst doorgedrongen in de ‘typische’ kinderthema’s zoals ‘dieren’ en ‘sterke verhalen’, waar rijm sterker vertegenwoordigd is.
De belangrijkste criteria bij het samenstellen van deze bundel – originaliteit, authenticiteit, de juiste spanning en vakmanschap – zijn grotendeels gerespecteerd. De selectie blijft echter beperkt tot volwassen dichters, met name de recentere en oorspronkelijk Nederlandstalige. Enkele geselecteerde dichters wijken hiervan af, maar het is niet duidelijk waarom zij wel een plek in de bundel kregen. Alle bekende jeugddichters van de afgelopen jaren zijn vertegenwoordigd.
Van Coillie heeft een evenwichtige bloemlezing samengesteld, aantrekkelijk voor een breed publiek. De thematiek van de poëzie sluit aan bij kinderen tussen acht en twaalf, de illustraties lijken gericht op een jonger publiek. Gevoelsmatig kunnen beeld en poëzie ook de jongste lezers aanspreken.
(Dit is een abstract van een artikel van Frauke Pauwels. De volledige tekst is verschenen in De Leeswelp 2012, nr.1.)
[Frauke Pauwels]
NBD Biblion
Ton Jansen
Jan Van Coillie verzamelde voor dit boek de beste honderd gedichten van de afgelopen tien jaar. Na…
Jan Van Coillie verzamelde voor dit boek de beste honderd gedichten van de afgelopen tien jaar. Na een voorwoord van de bloemlezer komen vaak gerenommeerde dichters als Hans en Monique Hagen (6x), Bas Rompa, Edward Van de Vendel, Bette Westera (allen 5x) en Ted van Lieshout en Theo Olthuis (4x) aan het woord. De gedichten zijn onderverdeeld in zeven thema’s: gevoelens en gedachten, familie, school, natuur, dieren, sterke verhalen en slapengaan. Zo traditioneel als deze thematitels lijken, zo inventief en creatief zijn de ondertitels en is de gekozen poëzie. De diversiteit is een sterk punt. Het openingsgedicht van Kees Spiering vertolkt het fraaist het wezen van deze bloemlezing: 'Eén gedicht is nooit genoeg - tienduizend evenmin. (…) Iemand moet dit lezen. Steeds opnieuw voor het eerst'. De gedichten werden van nieuwe kleurenillustraties voorzien. In trefzekere, karikaturale stijl geven ze de woorden een beeld. Achterin een alfabetische auteurslijst en trefwoordenlijst. Van dezelfde bloemlezer verscheen 'Voel je wat ik voel? De 150 mooiste gedichten over gevoelens voor kinderen' (2009)*. Deze kloeke bundel is op het lijf geschreven van iedere poëzieliefhebber, al te beginnen met kinderen vanaf ca. 6 t/m 12 jaar.
Pluizer
Wat je ziet, zit in je hoofd
Lieve Raymaekers - 22 januari 2015
Zo om de tien jaar brengt Jan van Coillie een bloemlezing van gedichten voor kinderen uit het…
Zo om de tien jaar brengt Jan van Coillie een bloemlezing van gedichten voor kinderen uit het voorbije decennium. De selectiecriteria die hij daarbij hanteert, zijn originaliteit, authenticiteit, de juiste spanning tussen o.a. herkenbaarheid en vervreemding, en tenslotte vakmanschap. Inhoudelijk zijn de gedichten gegroepeerd rond zeven themata: gevoelens en gedachten, familie, school, natuur, dieren, sterke verhalen, en slapen gaan. Samen met een lijst van auteurs en een trefwoordenlijst maakt dit opzoeken makkelijk. Het geheel is opnieuw een mooie compilatie van wat dichtend Vlaanderen en Nederland te bieden heeft, met een zeldzame vertaling ertussen van werk van Roald Dahl, Jujja Wieslander of Pulak Biswas. Uitgebreid aanwezig zijn Hans Hagen, Bas Rompa, Edward van de Vendel, Gil Vander Heyden, Bette Westera. Het niveau wisselt uiteraard, met mooie uitschieters zoals deze van Hans en Monique Hagen:
“een zucht is onzichtbaar
net als de wind
de nacht is onzichtbaar
als de dag begint
onzichtbaar zijn de dingen
die ik kwijt ben
die ik nooit meer vind
maar
met mijn ogen dicht
zie ik alles
wat mijn hoofd verzint” (p. 27)
De illustraties van Kristien Aertssen zijn bijzonder geslaagd, vooral die op de themapagina’s, en het geheel van de uitgave is zeer verzorgd.
“een zucht is onzichtbaar
net als de wind
de nacht is onzichtbaar
als de dag begint
onzichtbaar zijn de dingen
die ik kwijt ben
die ik nooit meer vind
maar
met mijn ogen dicht
zie ik alles
wat mijn hoofd verzint” (p. 27)
De illustraties van Kristien Aertssen zijn bijzonder geslaagd, vooral die op de themapagina’s, en het geheel van de uitgave is zeer verzorgd.